UNESCO

Molenaarsambacht op UNESCO lijst immaterieel erfgoed

Op 5 december 2017 was het feest voor de Nederlandse molenaars. Het oude ambacht van molenaar is door UNESCO erkend als Cultureel Immaterieel Erfgoed. Een erkenning voor een oud ambacht met een mooie toekomst.

“Immaterieel erfgoed is ‘levend erfgoed’. Het omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen (en soms zelfs individuen) erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit.”

UNESCO Nederland

Noordmolen Twickel - UNESCO Molenaarsambacht immaterieel erfgoed
Stichting Beheer Noordmolen Twickel

De stichting draagt zorg voor het overdragen van het erfgoed De Noordmolen en de vrijwillige molenaars spelen daarbij die belangrijke rol, die nu door UNESCO als cultureel erfgoed is aangemerkt. Het ambacht molenaar is dat culturele immateriële erfgoed. En het is voor het eerst dat een Nederlands cultureel erfgoed die erkenning heeft gekregen.

Een stukje Geschiedenis

Zo’n 5000 jaar geleden schakelde de mens over van jacht/verzamelen naar landbouw. Het graan werd (meestal) door hardwerkende vrouwen gemalen, bijvoorbeeld door deze Egyptische vrouw met een maalsteen.

Noordmolen Twickel - UNESCO

Kalksteen beeldje uit een graf in Egypte van de 5e Dynastie van het Oude Rijk, 2465-2323 v. Chr.

Rond 6.000 voor Christus wreef men de graankorrels fijn tussen twee stenen. Eén steen was uitgehold, hierop plaatste men een andere steen en zo werden de korrels tot poeder verbrijzeld. Hier van afgeleid is de handmolen die is ontstaan in het begin van onze jaartelling. De handmolen (queerne) of roterende molen bestond uit twee stenen, rond van vorm. Hierin werd het graan tussen een vaste (onderste steen) en een draaibare (bovenste) molensteen van ongeveer 30 cm doorsnede fijn gemaakt. Deze stenen worden ook de ligger en de loper genoemd. De Romeinse uitvinding hiervan stamt uit de 1e eeuw voor Chr.

De ontwikkeling van wind- en watermolens riep al in de Romeinse tijd een nieuw beroep in het leven: dat van mulder of molenaar. Molens aangedreven door slaven of dieren. Als een paard of ezel werd ingezet zijn we gaan spreken van rosmolens. In het Romeinse Rijk trad de watermolen in werking en de arbeid werd uiteraard op slag heel wat lichter.

De Romeinen hebben bijgedragen aan de verspreiding over het Romeinse Rijk, dat tot bij de Rijn zijn noordelijke grens, de Limes kende. Het heeft ettelijke jaren geduurd eer de watergraanmolens zich een plaats wisten te veroveren naast de door slaven of dieren bewogen molens. De minder snelle verbreiding van de waterradmolens moet voor een groot deel toegeschreven worden aan het feit, dat handqueernen en rosmolens overal geplaatst konden worden, terwijl men – wat de watermolens betreft – steeds afhankelijk was van de aanwezigheid van stromend water. In Engeland zijn bij de door de Romeinen aangelegde wal van Hadrianus fragmenten van onderslagraden, benevens complete maalstenen ontdekt van een drietal watermolens uit de 3e eeuw, mogelijk uit het laatst van de 2e eeuw.

Water- en wind- en rosmolens

De ontwikkeling van wind- en watermolens riep al in de Romeinse tijd een nieuw beroep in het leven. Dat van mulder of molenaar. Molens aangedreven door slaven of dieren. Als een paard of ezel werd ingezet zijn we gaan spreken van rosmolens. In Rome trad de watermolen in werking en de arbeid werd uiteraard op slag heel wat lichter.

De Griekse geograaf Strabo (64 voor Chr. – 20 na Chr.) vermeldt voor het eerst een watermolen voor het malen van graan, die Romeinse soldaten in het paleis van Koning Mithridates van Pontus (Anatolia, nu Turkije) zouden hebben gezien. Romeinse ingenieurs verbeterden het schepbord, het tandrad en het wiel dat de kracht diende over te brengen op de as van de molensteen en daarmee het prestatievermogen.

Noordmolen Twickel - Historie
Noordmolen Twickel - Barbegal - Watermolen - Impressie
De watermolens van Barbegal

Het Romeinse complex van het aquaduct en de watermolens van Barbegal, nabij Arles (het vroegere Arelate) in Zuid-Frankrijk, is een van de meest indrukwekkende staaltjes van Romeinse industriële techniek. Het staat bekend als de grootste concentratie van mechanische kracht in de antieke wereld die gebruikt werd voor de meelproductie. Bekijk de beschrijving van de werking en de functie van deze immense Romeinse meelfabriek die uit zestien watermolens bestond op de pagina De watermolens van Barbegal.

Het Romeinse rijk

Het Romeinse Rijk had veel graan nodig voor de voedselvoorziening van legionairs en steden als Rome en Arlas. Bij Arlas in Frankrijk hebben archeologen recent het Romeins ‘industrieel’ watermolencomplex Barbegal gevonden, 16 bovenslagraderen dreven evenzoveel maalstenen aan. De meelfabriek maakte productie op grotere schaal mogelijk met minder menselijke inspanning.

In februari 2024 is een artikel verschenen met prachtige illustraties over nieuwe ontdekkingen over het complex bij Barbegal dat je HIER kunt lezen.

Het was al bekend dat de Romeinen meesters waren in wat  we nu watermanagement noemen.

Aquaducten met een verval van 30 – 40 cm per kilometer,  badhuizen en loden leidingen voor drinkwater. Er wordt wel  beweerd dat de instorting van het Romeinse Rijk is  veroorzaakt door hersenverweking bij de senatoren, die loodvergiftiging opliepen.

Romeinse watermolens

In 2016 heeft Marco (M.M.C.) van Tiggelen een scriptie geschreven voor zijn studie aan de Radboud Universiteit. De scriptie “Romeinse watermolens: De techniek, de toepassing en het belang van watermolens in de late oudheid.” Beschrijft niet alleen de ontwikkeling en de opkomst van watermolens in de Romeinse tijd van circa 200 jaar voor tot circa 300 jaar na de jaartelling, maar ook met name de invloed van de slavernij hier in.

“Er is dus waarschijnlijk sprake van een combinatie van de opkomst van de watermolen als efficiënte machine en een daling van de vraag naar slaven. Er waren minder slaven nodig om dezelfde hoeveelheid graan te malen.”

Marco van Tiggelen eindigt de conclusie van zijn scriptie als volgt:

“De investering die werd gedaan in de watermolen werd terugverdiend door de eigenaars hiervan. Hierdoor is een daling in het aantal slaven waarneembaar volgens Scheidel die bewust werd doorgezet. Een watermolen was een investering in materiaal, maar was goedkoper in het onderhoud dan slaven. Slaven moeten immers een slaapplek en voedsel krijgen.”

Verantwoording:
Marco (M.M.C.) van Tiggelen – Radboud Universiteit

Download de scriptie Romeinse watermolens – Marco van Tiggelen – Radboud Universiteit

Meerdere technieken werden ontwikkeld

Nadat de water aangedreven graanmolen zijn intrede had gedaan werden in de loop der eeuwen meerdere technieken ontwikkeld zowel qua aandrijving als wat betreft te bewerken producten. Zo werden watermolens ontwikkeld die we nu kennen als getijdemolens, schipmolens, bovenslag- en onderslagmolens. Voor allerlei producten werden water aangedreven molens ontwikkeld, zoals de zaagmolen, papiermolen en oliemolen; eenzelfde aandrijfsysteem voor geheel verschillende bewerkingen. Leonardo da Vinci (1452-1519) ontwierp bijvoorbeeld ook een radbaggermolen, waarvan hieronder een afbeelding.

Noordmolen Twickel - UBESCO - Leonardo Davinci

Voor de verspreiding van watermolens naar Oost-Nederland moet meer gedacht worden aan de Merovingen en Karolingen. We hebben het vaak over de donkere middeleeuwen, de tijd na de Romeinen van 400 tot 700 na Christus. Recent onderzoek toont aan dat die periode een relatief welvarende tijd was, waarin de Romeinse technologie niet alleen werd gebruikt maar ook verbeterd. Men kan zich voorstellen dat rondreizende molenbouwers werden ingehuurd door kasteelheren en kloosters. Het bezit van een molen was een rendabele zaak en vroeg een relatief forse investering, een investering waartoe veelal alleen kasteelheren en kloosterordes in staat waren.

  1. Gebruik van waterkracht (Middeleeuwen, vanaf de 12e eeuw in Europa)
  • De opkomst van watermolens
    Toen de technologie van watermolens zich verspreidde (reeds bekend in de Romeinse tijd, maar wijdverspreid in Europa vanaf de vroege Middeleeuwen), werden deze ook ingezet voor het winnen van olie. Een waterrad dreef een mechanisme aan dat zaden kon pletten en vervolgens kon persen.
  • Vroegste vermeldingen in Europa
    De oudste vermelding van een oliewatermolen in Europa gaat terug tot de twaalfde eeuw. Een bekend voorbeeld is de watermolen te Kasteelbrakel, eigendom van de Sint-Waldetrudisabdij te Bergen. Deze molens voorzagen vaak in een lokale behoefte.

 

  1. Gebruik van windkracht (vanaf de 14e eeuw in Europa, dominant vanaf de 17e eeuw in Nederland)
  • Ontwikkeling van windoliemolens
    De techniek van de windmolen, zoals die in Europa onafhankelijk van het Oosten ontstond (de standerdmolen), werd later ook toegepast voor het slaan van olie. De oudste oliewindmolens, van het type staakmolen, vinden we terug in de veertiende eeuw. Zo wordt in 1360 een dergelijke molen in Sint-Martens-Latem (België) vernoemd.
  • Doorbraak in Nederland (17e en 18e eeuw)
    De Noordelijke Nederlanden, en met name de Zaanstreek, werden een wereldcentrum voor de olie-industrie. Inwijkelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, waar de kennis al verder ontwikkeld was, introduceerden de techniek hier.
  • De eerste oliemolen in de Zaanstreek verscheen in 1601.
  • Rond 1605 bouwde Jan Adriaenszoon Leeghwater een achtkante bovenkruier als windoliemolen met stampers, wat een belangrijke stap voorwaarts was.
  • Het aantal oliemolens nam snel toe. In 1630 stonden er al 69 oliemolens in Holland, waarvan veel in de Zaanstreek. Rond 1750 waren er alleen al in de Zaanstreek zo’n 600 windmolens in bedrijf, waarvan een vijfde deel oliemolens.

 

  • Hoe ze werkten
    Traditionele oliemolens (zowel water- als windmolens) gebruikten een proces met drie stappen:
  1. Pletten
    Oliehoudende zaden (zoals raapzaad, koolzaad, lijnzaad) werden eerst geplet door zware, ronddraaiende stenen, vaak een zogenaamde ‘kollergang’.
  2. Verwarmen (optioneel)
    Het geplette zaad werd soms licht verwarmd om de olie makkelijker te laten vrijkomen.
  3. Persen/Stampen
    Het pletsel werd vervolgens in zakken (bulen) gedaan en in een pers geplaatst. Grote, zware balken (stampers) vielen met kracht op de bulen, aangedreven door het waterrad of de wieken van de windmolen. Dit perste de olie uit de zaden. De stampers werden door nokken op een wentelas omhoog getild en lieten vervolgens met hun eigen gewicht naar beneden vallen.

Hoe werkt een graanwatermolen?

Het principe is relatief eenvoudig, maar ingenieus:

  • Wateraanvoer
    Water uit een rivier of beek wordt via een molentak of molenbeek naar de molen geleid.
  • Waterrad
    Dit water stroomt tegen de schoepen van een groot waterrad. Afhankelijk van de ligging en de waterstroom kan dit een onderslagmolen (water stroomt onder het rad door), een bovenslagmolen (water valt van bovenaf op het rad), of een borstwerkmolen (water stroomt tegen het midden van het rad) zijn. Het waterrad begint hierdoor te draaien.
  • Overbrenging
    De draaiende beweging van het waterrad wordt via een stelsel van assen en tandwielen (vaak gemaakt van hout) overgebracht naar de bovenverdieping van de molen. Deze overbrenging zorgt ervoor dat de draaisnelheid van de molenstenen geoptimaliseerd wordt.
  • Molenstenen
    Bovenin de molen bevinden zich de molenstenen. Dit zijn meestal twee grote, ronde stenen. De onderste steen (de ligger) ligt vast, terwijl de bovenste steen (de loper) door de overbrenging in beweging wordt gezet.
  • Maalproces
    Graan wordt vanuit een graanbunker of trechter tussen de twee molenstenen geleid. De draaiende loper maalt het graan fijn tegen de stilstaande ligger. De afstand tussen de stenen kan nauwkeurig worden ingesteld om de gewenste fijnheid van het meel te bereiken.
  • Meelafvoer
    Het vermalen meel valt vervolgens via een opening tussen de stenen naar beneden, waar het wordt opgevangen in zakken of bakken.
Noordmolen Twickel - Watermolen - Graan - Figuier Louis - 1819 - 1894
Een schets van de doorsnede van een graanwatermolen. (Figuier Louis - 1819-1894)

Het ontstaan van oliemolens

Oliemolens hebben een rijke geschiedenis die teruggaat tot de oudheid, lang voordat er windmolens bestonden. De ontwikkeling ervan kan in verschillende fasen worden onderscheiden:

Vroege, handmatige methoden (duizenden jaren geleden)

  • Het begin
    Voordat er molens waren, werd olie al gewonnen uit zaden en vruchten (zoals olijven) met behulp van primitieve methoden. Denk aan het pletten van zaden tussen stenen, of het stampen met houten palen. De kracht hiervoor kwam van mens of dier.
  • Olijfpersen in de oudheid
    Met name de olijventeelt in het Middellandse Zeegebied leidde tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere persen. Eerst waren dit eenvoudige hefboompersen, later kwamen er schroefpersen die meer druk konden uitoefenen. Deze werden aangedreven door mensen of door trekdieren zoals ezels of paarden.
Noordmolen Twickel - UNESCO - Ontstaan - Oliemolens
Impressie van de productie van lijnzaadolie door de oude Romeinen

De Noordmolens

Precies weten we het niet wanneer de Noordmolens zijn gebouwd en ook niet door wie. Wat we weten is dat de molen van 1325-1336 voorkomt in het Bisschoppelijk register van de Bisschop van Utrecht en dat de Noordmolen in 1347 wordt vermeld in de verkoopakte van Huis Eijsinc, door de koper Hermannus van Twicklo, Twickel genoemd. Die akte wordt bewaard op kasteel Twickel.

De Noordmolens, links de oliemolen en rechts de graanmolen, stroomafwaarts bekeken, bleven eeuwen in gebruik. De graanmolen tot het begin van de 19e eeuw en is afgebroken omstreeks 1825 toen het malen niet meer rendabel was als gevolg van de industriële ontwikkelingen.
Ook de oliemolen raakte in verval. Wel is er in 1830 een volledige demontage geweest, maar de Noordmolen heeft daarna door concurrentie niet lang meer dienst gedaan. De molen kon op één dag ca. 40 liter olie produceren, terwijl een fabrieksmatig proces in die jaren wel 10.000 liter haalde.

Noordmolen-Twickel-Noordmolens

Het buitenwerk werd in 1917 weggehaald, terwijl  het molengebouw en de stuw zelf nog wel een opknapbeurt kreeg om hem als monument in stand te houden. Een kadesteen met inscriptie “Renovatum 1917” herinnert daaraan. Het binnenwerk is steeds blijven liggen, ook toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers als opslagplaats voor munitie werd gebruikt. Een geluk bij een ongeluk, want toen Twickel in 1976 besloot om de molen weer molenvaardig te maken hoefde men niet allerlei constructies te bedenken omdat het binnenwerk (bijna totaal vergaan) was blijven liggen. In 1984 werd een nieuwe wateras met rad geplaatst. Geholpen door financiële steun van overheid, de Vrienden van Twickel en serviceclubs werd het binnenwerk in 1989/’90 gerestaureerd en kon de molen in 1990 weer draaien.